Helga's tussenkomst in de Commissie Werkgelegenheid en Sociale Zaken van 26.09.2016: "Bespreking van het ontwerpadvies inzake het uitvoeringsverslag Erasmus+. "

04/10/2016

Ik wil allereerst de rapporteur bedanken en ook feliciteren met zijn mooie ontwerptekst. Op basis van deze tekst ben ik er van overtuigd dat we tot een erg goed eindresultaat kunnen komen, waaraan ik heel graag meewerk.

Laat mij eerst enkele zeer belangrijke punten uit het advies belichten.

Ik ben het helemaal eens met de rapporteur dat Erasmus + een positieve impact heeft op de werkgelegenheid. Het geeft mensen immers de kans unieke competenties te verwerven die zij meenemen naar de arbeidsmarkt. Wie een Erasmus-ervaring achter de kiezen heeft, is beter inzetbaar op de arbeidsmarkt en vindt dus ook makkelijker werk. De cijfers liegen er niet om. Investeringen in Erasmus + zijn dus investeringen die lonen!

Verder was ik erg blij te lezen dat de rapporteur pleit voor een sterkere samenwerking tussen de onderwijs- en bedrijfswereld. Ik geloof dat dit cruciaal is. Wanneer onderwijs niet afgestemd is op de noden voor de arbeidsmarkt, heeft dit immers desastreuze gevolgen voor de groei en het concurrentievermogen.

Daarbij aansluitend steun ik ook de bijzondere aandacht in het advies voor het beroepsonderwijs. Ik ijver ervoor dat praktijkgerichte opleidingen een eerste, positieve keuze worden. Onderwijs moet erop gericht zijn het maximum uit elke leerling te halen. En elke leerling heeft recht op passende en voldoende groeikansen.

Sta mij nu ook toe enkele suggesties te maken.

Momenteel ligt de nadruk binnen Erasmus + erg op het halen van kwantitatieve doelstellingen. Ik meen echter dat het ook heel belangrijk is aandacht te schenken aan kwaliteit. Het mag niet enkel gaan over het aantal studenten dat deelneemt aan Erasmus +.

Een tweede opmerking gaat over toegankelijkheid. Ik denk dat het advies meer aandacht mag vragen voor een behoorlijke toegankelijkheidsstrategie binnen het Erasmus + kader. Momenteel stellen zich op het vlak van toegankelijkheid toch wel nog aanzienlijk wat problemen. Een voorbeeld dat ik goed ken, is de onevenredig zware administratieve last die dove mensen moeten dragen omdat zij moeten instaan voor hun eigen tolken.

Tot slot meen ik dat het geen goede zaak is om bepaalde groepen van achtergestelde burgers te noemen. Het geeft minstens de idee dat andere groepen minder of onbelangrijk zouden zijn. Het advies spreekt bijvoorbeeld geheel niet over mensen met een beperking.

Deze opmerkingen doen echter geen afbreuk aan de mooie appreciatie die ik voor dit ontwerpadvies heb. En ik kijk er dan ook naar uit samen te werken met de rapporteur.